Lezing Onderduikers achter het orgel

De uitnodiging voor deze lezing was voor mij zeker een verrassing, want ik ben in november 1942 niet ver van deze kerk geboren, woon al een poosje in het gezellige Cabauw en stap nu samen met jullie terug in de tijd naar waar ik vandaan kom. Toen ik na de oorlog eerst naar school en nog later naar Feijenoord ( zo schreef je dat toen nog ) in de Kuip ging liep ik altijd langs de Breepleinkerk. En altijd trok de op het dak geschilderde Rode Kruisvlag de aandacht. Door de jaren heen vervaagden de kleuren. Voor ons was het altijd of die kerk ons nog wat te vertellen had. Verder dan dat er ooit een noodhospitaal was geweest kwamen we niet. Totdat in 2006 bekend werd dat er enkele jaren onderduikers achter het orgel hadden gezeten. Els van der Wal , vrijwilligster van Stichting Schuilplaats Oorlogzolders, gaat ons daar alles over vertellen, maar eerst heet Liesbeth haar en ons allen ( 47 ) welkom en geeft Els het woord.
In 2006 bestond de Breepleinkerk 75 jaar. Henk den Haan, kerkeraadlid, vond het een mooi moment om de oorlogszolders te heropenen en een zoekactie op te zetten. In de Oud Rotterdammer ( gratis krant over de tijd van vroeger ) werd een advertentie geplaatst. Rebecca Andriesse, een van de onderduikers meldde zich en zo kon een donkere tijd worden gereconstrueerd.

Els neemt ons eerst kort mee door de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Duitsland had de Eerste oorlog verloren en moest enorme herstelbetalingen doen, het land verarmde, mensen werden werkeloos en de situatie werd uitzichtloos. Het Nationaal Socialisme bloeide op . Hitler werd gekozen en beloofde Duitsland weer groot maken. Herstelbetalingen werden gestopt, de Joden kregen de schuld van de Eerste Wereldoorlog en moesten weg. Vanaf 1935 waren ze geen Duits staatsburger meer. Na de Kristalnacht in 1938 vluchtten veel Joden, maar ons land wilde neutraal blijven en sloot de grenzen. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers ook ons land binnen en op 14 mei werd Rotterdam met brandbommen gebombardeerd, met ca 1000 doden tot gevolg. Ons land moest zich overgeven.
In januari 1942 werd door de Nazi’s in een conferentie aan de Wannsee bij Berlijn besloten het “Jodenvraagstuk” voorgoed op te lossen. Joden werden al snel verplicht een gele ster te dragen. In Rotterdam leefden toen zo’n 10.000 joden, keurig geregistreerd in de Gemeentearchieven, zoals ieder ander onder vermelding van het geloof. Oproepen voor transport volgden, vanaf Loods 24. Niemand wist nog waarheen en met welk vooruitzicht.
In die tijd woonden Emanuel en Aaltje Andriesse m aan de Kruiskade, Hij verkocht bloemen en had drie standplaatsen, o.a. voor het stadhuis op de Coolsingel en het station Delftsche Poort ( in 1957 vervangen door het Centraal Station ). Aaltje zat in het vluchtelingenwerk. Naast hen woonden Meijer en Ida Kool die op de Beijerlandselaan het Zuider Stoffenhuis bezaten. Dochter Rebecca Andriesse was verloofd met haar buurjongen Maurice Kool.
Rebecca’s moeder Aaltje werd door een Duitse vluchteling die bij hen verbleef verraden. Via Kamp Schoorl kwam zij in Ravensbrück terecht, waar zij op 36 jarige leeftijd werd gedood, wat niemand te horen kreeg.
Toen Emanuel, Rebecca en verloofde Maurice een oproep kregen om zich bij Loods 24 te melden, besloot Emanuel te gaan zich omdat hij dacht in Duitsland te gaan werken. Opa vertrouwde het niet en zocht een onderduikplaats voor Rebecca en Maurice. Opa ontmoet de koster van de Breepleinkerk, Jacobus de Mars en zijn vrouw Annigje en vraagt of hij hen kan helpen. Jacobus de Mars zat in het verzet en dacht aan de loze ruimtes achter / boven het orgel. Rebecca ( 17 ) en Maurice ( 25 ) moesten wel eerst trouwen, want zo maar samenwonen mocht niet. Op 28 mei 1942 trouwden ze op het stadhuis aan de Coolsingel, Jacobus maakte een ruimte gereed, door een luik in het plafond van de onderliggende ruimte te maken waardoor een ladder stak die kon worden opgetrokken. Over de balken werden wat planken en een matras gelegd zodat ze niet door het plafond zouden zakken. Daglicht was er niet. Het zou tenslotte maar voor enkele weken zijn, dachten zij. Met steun van het verzet zorgde Annigje voor eten, de was en wat dan ook. De dominee wist nog toen van niets, maar als het veilig was konden ze naar beneden. Toen later ook de ouders van Maurice werden opgeroepen volgenden zij, waarvoor een tweede matras werd bijgelegd.

Ruim een jaar na Rebecca en Maurice meldden Chaim en Fifi de Zoete zich. Chaim was chef apotheker bij de GGD Rotterdam. Hij en Fifi gingen al enige tijd van onderduikadres naar onderduikadres. Hun drie dochters waren al op verschillende adressen ondergebracht. Via een bevriende apotheker kwam ze bij dominee Brillenburg Wurth van de Breepleinkerk, die hen wel wilden helpen. De dominee schakelde zijn koster in en hoorde toen tot zijn verrassing dat er al onderduikers waren. Besloten werd dat Chaim en Fifi de tweede zolder konden gebruiken. Hun drie dochters bleven bij verschillende pleeggezinnen. Gerda, de vrouw van de dominee, ging voor de tweede zolder zorgen. Ze liep dan vanaf haar huis met een pannetje eten door de tuin naar de kerk totdat iemand liet merken dat dat niet verstandig was. Voortaan maar binnendoor. Dochter Hadassah verbleef in de buurt en Chaim en Fifi konden haar uit een raam volgen als ze naar school ging en op zondag als de de kippen kwam voeren. Op school was Hadassah Hansje, daar wist niemand dat ze Joods was.
Soms sliepen Rebecca en Maurice in de kosterswoning om even privé te kunnen zijn. Rebecca werd zwanger en wie kon straks haar bevalling begeleiden? Geen arts stelde zich beschikbaar, maar de in die tijd zeer gewaardeerde Surinaamse oogarts dr Leo Lashley , die vlakbij woonde, meldde zich. Na zich eerstin de materie verdiept te hebben begeleidde hij met hulp van de domineesvrouw de bevalling. Op 6 januari 1944 beviel Rebecca in de kosterswoning van een zoon, Emile. Emilie kon niet mee naar de zolder, dus bleef hij als baby bij het kostersechtpaar in hun woning. Jacobus en Annigje namen de zorg op zich, maar gelet hun leeftijd zou dit naar buiten toe vraagtekens kunnen oproepen. Dus kwam hun dochter Annie met haar Wim en hun zoontje Sjakie ook in de bij hen inwonen. Nu was het alsof Sjakie een broertje had gekregen. Emile’s ouders kwamen ook wel beneden, maar Rebecca had het erg zwaar en sliep vaak dagen en nachten door op pillen. Annie was als een moeder voor Emile en zo voelde Emile dat ook. De vele monden hadden eten nodig en zeker in de hongerwinter was dat moeilijk te vinden. Daarom haalde dr Lashley iedere maand met een vrachtwagentje voedsel uit de Hoeksewaard, iedere keer weer een gewaagde onderneming.

Omdat iemand van het verzet was doorgeslagen deed de Grüne Polizei op 14 april 1945 een inval in de kerk en kosterswoning. Niemand werd gevonden, maar koster Jacobus Matser werd meegenomen en verhoord door SD Hauptscharführer J Hoffmann, ook wel “het beest van Rotterdam” . Jacobus liet niets los en mdat bleek dat de familie de Mars kort na de Eerste Wereldoorlog zijn zusje zo goed had opgevangen bleef Jacobus een marteling of voortijdige dood bespaard en mocht hij direct door naar de gevangenis in Scheveningen. In de kerk volgden bange dagen, maar enkele weken later was de oorlog over en kwamen allen vrij. Wat begonnen als een tijdelijke oplossing van enkele weken werd 34 maanden. De onderduikers waren vrij, maar al hun familieleden bleken intussen in kampen vermoord. Dominee Brillenburg Wurth heeft hierover in een kerkdienst nog gesproken.
De dominee werd daarna hoogleraar in Kampen, maar het contact bleef met de familie De Zoete die weer in Kralingen ging wonen tot ze verhuisden naar Israël en een deel later naar de USA.
Koster Jacobus de Mars was na de oorlog te zwak om zijn werk voort te zetten en moest verhuizen. Hij overleed in 1951. Hij en zijn vrouw Annigje zijn door Yad Vasjem onderscheiden.
Dr Leo Lashley ondervond na de oorlog dat zijn huidskleur het hem onmogelijk maakte om goed te kunnen functioneren. Yad Yasjem werd hem niet gegund. Met zijn gezin verhuisde hij naar Curaçao waar hij weer alom werd gerespecteerd. Zijn huwelijk strandde en ieder ging terug naar Nederland, Hij overleed in 1980 aan de gevolgen van Parkinson.
De geschiedenis raakte op de achtergrond. Tot Henk den Haan in 2006 het initiatief nam om op zoek te gaan, waarbij Rebecca zich meldde. Het huwelijk van Rebecca en Maurice was uiteindelijk gestrand en de op zolder geboren Emile had inmiddels net als zijn ouders een eigen stoffenzaak dicht bij Delft. Door alle verdriet hadden zijn ouders hem nooit verteld waar hij geboren was. Emile is er ook nooit meer op de orgelzolder geweest en wil verder buiten de publiciteit blijven. Rebecca overleed in 2017.
Geïnspireerd door het verhaal van de onderduikers schreef burgemeester Aboutaleb in 2015 het essay “Droom en daad”. In 2016 plaatste hij en maquette op schaal in Miniworld Rotterdam. Deze maquette was ook door het technische team van Miniworld gebouwd. In het dak is een gat waardoor de onderduikers op hun zolder te zien zijn. Dagelijks kunt u het daar bewonderen.
In 2017 schreef ds Matser het boek “De Orgelzolders” waarvan het eerste exemplaar aan Annie werd uitgereikt.

Wilt u er meer van horen en eens een kijkje nemen, via www.orgelzolders.nl is dat mogelijk.
Liesbeth dankt Els voor haar indrukwekkende verhaal en geeft voor haar en haar meegereisde echtgenoot een mooi pakket mee.

De geschiedenis blijft bewaard, Een geschiedenis van vluchten en onderduiken waarover na de oorlog ook in Cabauw veel boven kwam. Niemand wil dit meer, maar toch blijft er onrust in de wereld, te triest voor woorden.

Een prachtig verslag van Herman de Koning.